donderdag 16 oktober 2014

5 - De prestatiegeneratie


“De nog piepjonge Jeroen van Baar (1990) studeerde psychologie en neurowetenschappen in Utrecht en Parijs. Zijn succesboek ‘De Prestatiegeneratie’ zorgde voor een schokgolf bij iedereen die prestatiegericht bezig is. Jeroen van Baar verdedigt de stelling dat er niks mis is met middelmatigheid.”



Een interessante lezing, lijkt me. Zelf ben ik ook bezig met steeds beter worden en meer willen. Wat doet dat nu eigenlijk met mij? Wat zijn de gevolgen als het allemaal niet zou lukken? Ik ben erg benieuwd wat deze jongeman allemaal te vertellen heeft.

De lezing ging door op maandag 13 oktober in het c-mine cultuurcentrum om 20u15.

Het streven naar perfectie, een werkgever die steeds meer eist, blijven doorwerken in het weekend, geen tijd nemen voor ontspanning,… Het lijkt me allemaal niet gezond, maar heel wat mensen doen het. Tot ze op een bepaald moment zichzelf tegen komen. Er is de laatste tijd veel te doen rond burn-out. Wat is dat eigenlijk precies? Hoe krijgt je dat? Hoe gaat het weer weg?


Burn-out is een term uit de psychologie wat betekent helemaal opgebrand te zijn. Iemand die het heeft, is vaak niet meer in staat om de simpelste taken uit te voeren, of naar de koelkast te lopen om een lekker drankje te gaan halen, zonder compleet uitgeput te zijn. De confrontatie die je met jezelf krijgt als je merkt dat je geen energie meer hebt, een gebrek aan concentratie en zingeving is heel heftig. Buitenstaanders kunnen dit vaak niet vatten. Dat komt omdat het slachtoffer van een burn-out voorheen net erg energiek en opgewekt is en grenzen kan verleggen om een pittige uitdaging niet uit de weg te gaan. Een verwaarlozing van een burn-out kan leiden tot psychose, hartfalen of zelfmoord.



De term burn-out werd voor het eerst begin jaren ’70 gebruikt door o.a. de Amerikaanse psychotherapeut Christina Maslach. In haar opvatting bestaat een burn-out uit drie samenhangende verschijnselen:
  • uitputting (vermoeidheid in een ver gevorderd stadium);
  • cynisme (wantrouwen tegen goede bedoelingen van iemand of overgevoeligheid van de gevolgen van je eigen daden);
  • laag zelfbeeld over eigen competenties.
Vaak wordt er ook gesproken over een vierde dimensie: een verminderde cognitieve vaardigheid. Heel belangrijk om weten is dat een burn-out geen depressie is. Een burn-out is in hoofdzaak een energiestoornis, terwijl een depressie stemmingsstoornis is.

Een burn-out is in de meeste gevallen jarenlange overbelasting of blootstelling aan stress op het werk, maar ook in de privé-situatie. Het gaat vaak om mensen die echt alles in hun werk hebben gestoken, maar weinig hebben terug gekregen. Ze hebben het gevoel dat ze niet goed genoeg beloond worden voor hun prestaties. Hierdoor zakt hun motivatie met als gevolg fysieke, geestelijke en emotionele uitputting. Mensen met een hogere verantwoordelijkheidszin, overgevoelige mensen en perfectionisten lopen meer risico.

Uit cijfers blijkt dat ongeveer een half miljoen mensen in België (!) een burn-out zouden hebben. Daarnaast zijn er nog heel wat werkenden uit de beroepsbevolking die nog een hoog risico lopen op een burn-out. Ze kunnen onderverdeeld worden in acht groepen:
1: de perfectionisten (Ze willen carrière maken, veel verantwoordelijkheden hebben en daar ook nog eens geen fouten in maken.);
2: mensen die moeilijk tegen verandering kunnen in hun werkomgeving (bv. een nieuwe baas of nieuwe verantwoordelijkheden.);
3: mensen die hard werken en ook thuis veel onder spanning staan. Er is geen plaats voor ontspanning en het is moeilijk om je op je werk nog goed te kunnen concentreren. (bv. bij het verwerken van een verlies.);
4: mensen die weinig besef hebben van tijd;
5: mensen die heel hun leven naar veiligheid hebben gezocht en plots geconfronteerd worden met onveiligheid (bv. een stalker of een ontrouwe partner.);
6: mensen die zich verantwoordelijk voelen voor anderen en geen nee kunnen zeggen;
7: erg gedreven mensen die niet kunnen stoppen met werken;

8: vrouwen in een dubbelfunctie (Combinatie van werk en thuis.).



Het zijn dus niet de mensen die niet goed hun best doen op hun werk of onbekwaam zijn die een burn-out krijgen, maar juist de perfectionisten en de goed gemotiveerde werknemers. Het komt over het algemeen vaker voor bij 50 plussers, meer bij vrouwen dan bij mannen, maar ook twintigers lijken tegenwoordig een risicogroep te vormen. Zij zijn nog maar pas aan het werk en kunnen moeilijk “nee” zeggen tegen hun baas. Ook lijkt de combinatie met hun druk sociaal leven er voor iets tussen te zitten. Waarom de ene wel een burn-out krijgt een de andere niet, is moeilijk te zeggen. Zoals ik hierboven al aanhaalde, kan het te maken hebben met de overgevoeligheid van een mens. Ook stressbestendigheid speelt een rol. Het is nu eenmaal zo dat de ene beter met een hogere werkdruk kan omgaan dan een andere.

Stress, overspanning en burn-out worden vaak te pas en te onpas gebruikt. Het is niet meer duidelijk welk woord je nu waarvoor moet gebruiken. Stress is iets wat niet schadelijk is. Kortdurende stress kan zelfs bijdragen aan een succes, afhankelijk hoe je ermee omgaat. Stress is gezond zolang je de eisen die je voor jezelf stelt niet hoger zijn dan wat je aankunt. Het is moeilijk om algemeen te stellen wanneer stress overspannenheid wordt. De gezonde stress is kortdurend, terwijl overspannenheid een langdurige fase van stress is. Bij stress is het energieniveau hoger dan normaal. Dat uit zich in hyperactiviteit en haastig gedrag. Wanneer je langdurig met stress geconfronteerd wordt, verlies je orde en overzicht. Je geraakt als persoon blijvend onrustig en wordt overspannen.

Als je de oorzaken van de spanning wegneemt, kan de persoon weer op een normale manier functioneren. Er is dus geen spraken meer van overspannenheid. Bij een burn-out is dat niet het geval. Daar is het energieniveau aangetast en verlaagd door jezelf bloot te stellen aan langdurige, soms dus jarenlange, spanningen. Je lichaam zegt dat het afgelopen is, het kan niet meer.

Wat zijn de signalen die kunnen wijzen op een burn-out?
Algemene kenmerken
Kenmerken in de werksituatie
iedere dag na activiteiten doodmoe zijn;
's morgens al moe zijn (of moe naar het werk gaan);
geen zin meer hebben om iets te doen (naar het werk te gaan);
hoofdpijn, lusteloosheid, hartkloppingen, slapeloosheid;
concentratieproblemen;
gevoelens van incompetentie
snel geïrriteerd raken om de kleinste dingen.
opgejaagd reageren;
vaak doen van extra werk;
zonder reden een snipperdag nemen;
moe terug komen van een (uitrust)vakantie;
steeds vaker werk uitstellen;
snel geïrriteerd raken;
verminderde concentratie;
onder of boven zijn/haar niveau werken.


Of mensen effectief lijden aan een burn-out, wordt vastgesteld met psychologische instrumenten, voornamelijk ontworpen door psychotherapeut Maslach. Het instrument bestaat uit ongeveer 20 vragen die betrekking hebben op de drie dimensies van burn-out (zie bovenaan). Er zijn verschillende versies in omloop: speciaal voor onderwijsgevenden, voor contactuele beroepen en algemene versie voor alle andere beroepen. De scores die voortkomen uit het invullen van de vragenlijsten, worden vergeleken met de resultaten van normgroepen die de vragen eerder al hebben ingevuld. Een score in de bovenste 25% t.o.v. de normgroep, indiceert een mogelijk burn-out. Een score in bovenste 5% t.o.v. de normgroep zou echt een burn-out betekenen.


Psychotherapeut Maslach. 

Een burn-out kan op vrij korte termijn succesvol behandeld worden door wekelijks gedurende drie tot vier maanden in therapie te gaan. Tijdens die sessies wordt er nagegaan wat er toe bijgedragen heeft tot het ontstaan van de burn-out, bv. het hebben van “disfunctionele gedachten” (bv. als ik niet hard werk, vindt niemand me aardig/competent/krijg ik nooit een promotie/word ik ontslagen"). Daarna wordt er een overzicht gemaakt van alle risicofactoren op het werk (bv. een hoge werkdruk, vaak overuren moeten doen, een minder leuke sfeer op het werk,…) en aangepakt waar mogelijk. Er wordt gestreefd om het slachtoffer zo snel mogelijk terug aan het werk te krijgen, liefst nog tijdens de therapie. Het slachtoffer gedurende de hele behandeling thuis te laten om terug op krachten te laten komen, heeft vaak een averechts effect en kan leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid. Het is bovendien ook niet meer mogelijk om arbeidsongeschikt verklaard te worden door een burn-out.


Door de therapie leer je beter voor jezelf zorgen en meer balans te krijgen tussen privé en werk. Naast de therapie is het ook belangrijk om je te leren ontspannen door bv. ontspannings- en ademhalingsoefeningen of door te gaan sporten. Iemand met een burn-out heeft iemand nodig die hem of haar stimuleert om de signalen serieus te nemen en waarmee hij of zij iets ontspannend kan doen. 



Waarom heeft een overvloed aan keuzemogelijkheden een negatieve invloed op ons?


We leven in een maatschappij van overvloed. Ga maar eens naar de Mediamarkt om een printer te kopen of naar de Zara voor een nieuwe broek. Nooit eerder is de verscheidenheid aan merken en soorten zo groot geweest. Denk ook maar eens aan het einde van het 6de middelbaar. Welke studierichting ga je kiezen? Voor welke school ga je gaan? De lijst is eindeloos, want je kan tegenwoordig perfect een studie in het buitenland volgen. Een goede zaak? Eigenlijk niet, want het maakt ons verward, onzeker en depressief.



Kiezen uit 30 alternatieven vraagt heel wat inspanning van ons. Uit een studie blijkt dat een overaanbod kan leiden tot vermijdingsgedrag. Onderzoekers deden een proef in een supermarkt. Ze lieten één groep mensen maar liefst 24 verschillende soorten confituur proeven en een andere groep 6 soorten. Uiteindelijk bleek dat de mensen die veel keuze hadden veel minder geneigd waren om confituur te kopen terwijl de mensen die minder keuze hadden dat juist wel deden. De overvloed aan keuze is te moeilijk voor mensen en zorgt er gewoon voor dat we de keuze gaan mijden. Het werkt verlammend.

Daarnaast blijkt dat een overvloed aan keuze tot ontevredenheid leidt bij de gemaakte keuze. Hoe groter het aanbod, hoe hoger onze verwachtingen zijn. We gaan er van uit dat één van de mogelijkheden perfect zal zijn. Wanneer dat toch niet het geval blijkt te zijn, is de teleurstelling en de ontevredenheid groot. De slechte keuze wordt niet toegeschreven aan de hoeveelheid van het aanbod, maar wel aan het onvermogen om de juiste keuze te maken. We zijn dus niet alleen ontevreden over de keuze, maar ook over onszelf.

Hierboven beschrijf ik een beetje “de paradox van de keuze”. Je wilt meer vrijheid, maar niet meer verantwoordelijkheid. De vrijheid in keuze maakt dat je zelf de enige verantwoordelijke bent als het mis loopt. Je kunt de schuld niet doorschuiven. Het leven in een meerkeuzemaatschappij heeft drie gevolgen:

  • het kost meer tijd om een keuze te maken;
  • de kans dat je niet de beste keuze maakt is groter;
  • je zult meer spijt hebben van de verkeerde keuze.

Als het gaat om kiezen, onderscheid de psychologie twee verschillende soorten mensen: de maximisers en de satisficers: maximisers willen alleen het allerbeste terwijl satisficers tevreden zijn met het eerste wat aan de voorwaarden voldoet. Een maximiser krijgt het moeilijk als er uit meer opties gekozen kan worden, het duurt langer en hij is minder tevreden na zijn keuze. Maximisers lopen zelfs een verhoogd risico op het oplopen van een depressie.



Maximisers geloven er in dat als je hard genoeg zoekt, de beste oplossing zal vinden. Dat is natuurlijk een illusie. Efficiënt is het niet: ze kunnen soms betere deals doen dan satisficers, maar kunnen ook vruchteloos achterblijven. Je neemt een risico door goede kansen te laten liggen, met het idee dat je er nog wel betere tegenkomt. Ook als maximisers de beste keuze maken, zijn ze er minder gelukkig mee dan een satisficer die voor goed genoeg heeft gekozen.

Iedereen is op bepaalde gebieden wel maximiser en er komen steeds meer gebieden bij. Neem nu de opvoeding van onze kinderen. Het beste is niet goed genoeg. Je gaat op zoek naar de  beste kinderwagen, de beste school, de beste sportclub, de mooiste kleren,… Ouders vinden deze keuzes steeds ingewikkelder. Ook hun kinderen krijgen te maken met diezelfde druk. Zij stellen belangrijke keuzes als trouwen, de keuze van een partner of het kopen van een huis uit, uit angst en twijfel.

De prijs die we betalen voor de grote keuzevrijheid, is de achteruitgang van de kwaliteit en de kwantiteit van onze sociale relaties. Vrienden kiezen is veel moeilijker dan op zoek gaan naar de beste confituur. We kunnen het vaak niet meer opbrengen om zo’n vriendschapsrelatie op te bouwen. Vriendschap de dag van vandaag is een losse band zonder al te veel verplichtingen. Je kan wel veel vrienden hebben, maar een hechte vriendschap op lange termijn komt minder vaak voor. We kiezen onze vrienden in functie van activiteiten: met de ene vriend ga ik graag op vakantie en met de andere ga ik graag naar de cinema. Ook in je liefdesleven is “tot de dood ons scheidt” zeldzamer geworden. Als we leven met het idee dat het altijd beter kan, bestaat de kans dat ook goede relaties vroeg verbroken worden.

Bronvermelding


maandag 6 oktober 2014

6 - Mijn status is positief

Het boek


In “Mijn status is positief” brengen Annemie Struyf en Lieve Blanckaert verschillende Kenianen in woord en beeld die seropositief of al in een vergevorderd aidsstadium zijn beland. Het boek bestaat grotendeels uit getuigenissen. De schrijfstijl daarvan is levensecht. De beelden hebben vaak weinig met de woorden te maken, maar ze zijn daarom niet minder mooi.  


Annemie en Lieve worden op de luchthaven van de Keniaanse hoofdstad Nairobi opgevangen door Achieng. Zij begeleidt Annemie en Lieve doorheen hun reis. Achieng zit al in het aidsstadium én ze heeft veel last van malaria-aanvallen. Ze zorgt niet alleen voor haar eigen kinderen, maar ook voor de kinderen van haar overleden zussen. Doodsoorzaak: aids… Achieng staat er alleen voor, want ook haar man is overleden aan, jawel, aids.

Achieng brengt Annemie en Lieve in contact met seropositieven. De “gewone” mensen, prostituees, criminelen,… stuk voor stuk hebben ze hun eigen, vaak dramatisch, verhaal. Toch zijn er heel wat raakpunten: armoede, miserie, geweld en vooral hiv.


Enkele weken voor de komst van Annemie en Lieve kreeg Achieng er een kind bij. Ze vond het kind letterlijk in een mandje en ze nam haar uiteindelijk mee naar huis. Hope, zo heet het kindje, zal doorheen het boek een belangrijke rol spelen. “Je neemt nieuw leven in huis om je eigen dood te bezweren.”, zei één van haar andere kinderen tegen Achieng. En zo voelde Achieng het ook aan. Maar Hope geeft zo veel: hoop, liefde, geluk, geen oordeel,… en kost amper iets. Achieng vraagt zich af wat er met Hope moet gebeuren als zij er niet meer zal zijn. Want ooit zal de dag komen dat ze niet langer met aids kan leven. Annemie en Lieve zijn helemaal verkocht van Hope. Al snel smeden ze plannen om het kindje te adopteren. Lieve haakt af, maar Annemie zet door en wat later heeft ze een vijfde kind bij in haar kroost.



In het tweede deel van het boek keren Annemie en Lieve terug naar België. Hier krijg je een blik over hoe de adoptieprocedure loopt en over hoe Hope in het gezin van Annemie wordt opgenomen. Verder brengt het boek nog getuigenissen van seropositieven uit België. Hier merk je een groot verschil tussen de levensomstandigheden van de mensen hier en de mensen in Kenia. Ook de manier van besmetting heeft weinig overeenkomsten.

Wat is het verschil tussen hiv en aids?


Hiv/aids is met grote voorsprong de meest gevaarlijke seksuele overdraagbare aandoeningen. Niet alleen in de wereld, maar ook in België vormt het een grote dreiging voor de volksgezondheid. In België duiken er dagelijks bijna drie nieuwe besmettingen op (2003). De wetenschap staat al ver. Men weet hoe de ziekte wordt overgedragen en het is in vergelijking met andere ziektes vrij gemakkelijk te voorkomen, nl. door condoomgebruik.

Hiv, het Humam Immunodeficiency Virus, is de ziekte die aids veroorzaakt. Letterlijk vertaalt: menselijk immuundeficiëntievirus. Het virus zorgt voor een verstoring van het immuunsysteem, het natuurlijke afweersysteem van het menselijk lichaam. Het lichaam wordt hierdoor kwetsbaar voor zelfs de kleinste infectie. Een drager van deze ziekte noemt men een seropositieve.

Aids is een afkorting voor een Engelse term: Acquired Immune Deficiency Syndrome. Letterlijk vertaalt: verworven immuundeficiëntie syndroom. Je kunt deze ziekte niet oplopen. Het is dus geen erfelijke aandoening. Je kunt hem wel verwerven. Het afweersysteem functioneert niet naar behoren. Hierdoor is het lichaam erg kwetsbaar. Aids kan op verschillende manieren tot uiting komen door verschillende symptomen en ziektebeelden. Daarom wordt het een syndroom genoemd.

Iemand die hiv heeft, merkt dat in het begin amper. Kort durende griepachtige klachten zijn wel mogelijk, maar soms duurt het jaren voor er ergere ziektes vastgesteld worden. Het lichaam is door hiv dan zodanig aangetast dat seropositieven ziektes krijgen die “gewone” mensen zelden of niet krijgen. Op dat moment spreekt men van aids.

Hoewel er dus geen vaste symptomen zijn bij hiv, krijg je in onderstaan filmpje een overzicht van de symptomen die KUNNEN optreden. 




Help alle onwetendheid de wereld uit… op welke manieren kan je met hiv besmet geraken?


Hoewel deze aandoening al 30 jaar bestaat, is de onwetendheid omtrent de overdracht nog altijd zeer groot. Sommige mensen denken dat het mogelijk is om hiv te krijgen door te (tong)zoenen of zelfs door handen te schudden. Dat is natuurlijk helemaal niet waar.


Niet wie je bent, maar wat je doet bepaalt of je met het virus besmet kunt geraken. Er is dus spraken van risicogedrag. Alleen een virusdrager kan het virus doorgeven. Let wel op: niet elke virusdrager weet dat hij besmet is! Het virus wordt overgedragen wanneer jouw bloedstroom in contact komt met bloed, sperma of vaginaal glijvocht van de virusdrager. Die overdracht gebeurt via risicogedrag: alle vormen waarop je die contacten maakt.

Bloed-bloed contact
De meeste besmettingen door bloedcontact gebeuren via intraveneus druggebruik (spuiten). Geïnfecteerd bloed komt zo rechtstreeks in de bloedbaan terecht.
Ook door prik- en snijaccidenten is hiv-besmetting mogelijk. Kans op besmetting door een prik- en snijaccident met een hiv besmette naald ligt rond 1 op 300.
Wanneer je huid niet intact is, is er ook tijdens wondverzorging kans op besmetting. Gebruik daarom steeds latex handschoenen!



De kans op een infectie door een bloedtransfusie of orgaantransplantatie is bij ons in het Westen bijzonder klein (o.w.v. strenge controles van bloeddonoren).

Bloed-slijmvliescontact
Er is ook besmetting mogelijk wanneer er besmet bloed in contact komt met de slijmvliezen van de ogen, de neus en de mond (keelholte). Om het besmettingsrisico zo laag mogelijk te houden, dient men direct te spoelen met water. Mond en mond beademing is veilig indien er geen bloed aanwezig is.

Moeder op kind
Men schat dat ongeveer 1/3 van de transmissies in de baarmoeder plaatsvindt (meestal op het einde van de zwangerschap) vindt terwijl 2/3 van de transmissie op het ogenblik van de bevalling gebeurt.
Volgens recente studies zou een keizersnede uitgevoerd voor het begin van de weeën met minimale bloeding en contact met bloed, de hiv-overdracht zeer sterk verminderen.  Wanneer een keizersnede gecombineerd wordt met het toedienen van AZT (antiviraal middel) wordt de transmissie verminderd van 29% naar 1.5 %.
Het beste resultaat bekomt men wanneer de medicatie wordt toegediend vanaf de 16de week van de zwangerschap t.e.m. de bevalling. Ook de baby krijgt antivirale middelen toegediend tot 6 weken na z’n geboorte.

Door de moedermelk

Kans op transmissie door borstvoeding is ongeveer 14%.



Seksueel contact
Besmetting is mogelijk door:
- sperma (hoge concentratie virus);
- menstruatiebloed (hoge concentratie virus);
- voorvocht (middelmatig hoge concentratie virus);
- vaginaal vocht (middelmatig hoge concentratie virus).

Bij verschillende vormen van seksueel contact kan het virus in het lichaam binnendringen via de slijmvliezen. Er zijn ook nog andere vormen van seks waarbij contacten tussen bloed, slijmvliezen en sperma of vaginaal vocht gemaakt worden en dus ook het gevaar van besmetting inhouden. (dus ook bij orale seks e.d.)

Hiv en kinderen… een goede combinatie?

Voor iemand met hiv is het perfect mogelijk om kinderen te krijgen. Dankzij de medische revolutie en een goede begeleiding kan je voorkomen dat je partner en je baby besmet geraakt met hiv. De kans dat je kind het virus overkrijgt, bedraagt 2%.

Je bent een man met hiv
- Sperma van een seropositieve man kan virusvrij gemaakt worden. Daarna wordt de vrouw kunstmatig bevrucht. Er is nog geen enkele besmetting vastgesteld bij deze techniek.
- In sommige gevallen is het mogelijk dat je zonder condoom met je partner mag vrijen. Je moet dan wel aan enkele voorwaarden voldoen, o.a. een ondedecteerbare virale lading. Een virus is ondetecteerbaar wanneer er minder hiv-virus per milliliter in het bloed aanwezig is dan de gevoeligheid van de specifieke test op de virale lading toelaat. Je blijft dus langer gezond en bent amper nog besmettelijk.
- Wanneer je partner geen hiv heeft, is het gevaar dat de baby met hiv op de wereld komt uiterst klein.

Je bent een vrouw met hiv
- Het is mogelijk om je partner niet te besmetten. De sperma van je partner wordt opgevangen en kunstmatig bij de vrouw ingebracht. In sommige gevallen mag er zonder condoom gevreeën worden, maar dat moet besproken worden met een arts.
- Intensieve medische begeleiding is noodzakelijk. De kans dat het kind dat met hiv op de wereld komt, is kleiner dan 2%.

- Het is mogelijk dat je moet overschakelen op andere hiv-remmers.


Wat als… je risicocontact hebt gehad, ben je dan hoe dan ook besmet?

PEP is een cocktail van aidsremmers die kunnen voorgeschreven worden indien je een groot risico hebt gelopen. Indien je binnen 72 uur een dokter consulteert, is het mogelijk hiervoor in aanmerking te komen. Je zal dan één maand lang deze medicatie moeten innemen om de transmissie van hiv te onderdrukken of te voorkomen. Hier zijn nevenwerkingen aan verbonden en bovendien biedt PEP geen garantie dat je niet besmet zal geraken. Na zes maanden en drie weken word je opnieuw getest op hiv.

Wanneer en hoe kan je je laten testen op hiv?

Pas drie maanden na het laatste risicocontact kunnen er genoeg antistoffen in het bloed worden aangetroffen om een aidstest (Elisa test) uit te voeren. Op dat ogenblik heb je 98% zekerheid over een mogelijke besmetting. Wil je 100% zekerheid, dan moet je wachten tot zes maanden na het laatste risicocontact.

Opgelet: als iemand onlangs besmet werd, ligt het virusgehalte in het bloed en in de lichaamsvochten zeer hoog. De persoon is in de eerste 3 maanden na het risicocontact extra besmettelijk, ook al kan men nog geen antistoffen aantonen in zijn bloed en is hij of zij nog niet seropositief.

Een persoon kan al vanaf de dag na de besmetting het virus doorgeven.

Als bij de eerste test, de zogenaamde. Elisa-test, geen antistoffen worden gevonden, dan wordt het resultaat als negatief omschreven en is er geen bevestiging nodig. Als deze eerste antistoffen-test echter positief is, dan moet dit bevestigd worden door een tweede test, de Western Blott test (bevestigingstest). Als beide tests een positieve uitslag geven, dan wordt het resultaat “positief” genoemd. D.w.z. dat er hiv-antistoffen werden gevonden en dat deze persoon besmet is met hiv. Dit betekent dat deze persoon een hiv-infectie heeft opgelopen. Het wil niet zeggen dat hij of zij aids heeft.



Waar wonen de meeste met hiv/aids? Wat is het verschil bij vrouwen en bij mannen?

Onderstaande cartogram geeft het aantal hiv-besmettingen weer over heel de wereld. Hoe groter het land/continent, hoe hoger het aantal hiv-besmettingen.




Het is overduidelijk dat het pijnpunt in Afrika ligt. De cijfers zijn dramatisch: 65 tot 70% van alle hiv-besmette mensen leven in Afrika, en 70 tot 75% van de aidsdoden zijn Afrikaans. Het probleem is daar ook groter bij vrouwen dan bij mannen.



Er zijn niet alleen natuurlijke ongelijkheden (de vagina is gevoeliger en er kunnen makkelijker wondjes ontstaan,…), maar ook genderongelijkheden. Heel wat Afrikaanse mannen zijn polygaam en hebben dus een relatie met meerdere vrouwen. Één man kan dus meerdere vrouwen besmetten. Vrouwen worden door de armoede vaak gedwongen tot prostitutie. Bovendien willen Afrikaanse mannen seks zonder condoom. Vrouwen hebben ook meer te maken met seksuele geweld, ook binnen een relatie. Ze hebben ook weinig tot geen eigendomsrechten wat hen erg kwetsbaar maakt voor machtsmisbruik, ook op seksueel vlak.

In Afrika bestaat er een grote taboe rond hiv/aids en seks. Hierover praten kan de uitbreiding van het epidemie afremmen, maar vele regeringen en religieuze leiders uit Afrika zijn hier tegen. In Soedan weet bv. 5% van de vrouwen dat hiv-besmetting voorkomen kan worden door condoomgebruik. Sterker: 75% van de vrouwen heeft nog nooit van een condoom gehoord! Binnen een relatie is het ongewoon om over seks te praten.


Hiv/aids zorgt ook voor stigmatisering. Dat gebeurt meer bij vrouwen dan bij mannen. Ze krijgen een stempel van ontrouwe echtgenotes, ze worden uit de gemeenschap verdreven, ze worden slachtoffer van geweld,… Hierdoor laten mensen zich vaak niet testen omdat ze bang zijn voor de uitslag van de test en de gevolgen.


Het gebrek aan onderwijs voor meisjes speelt ook een grote rol bij de uitbreiding van hiv. Onderzoek heeft uitgewezen dat meisjes die naar school gaan minder risico lopen om besmet te worden. Ze hebben ook meer kans op een betaalde job waardoor ze niet in de armoede terecht komen. Bovendien leren ze op school ook belangrijke sociale vaardigheden om bv. te onderhandelen over condoomgebruik.

De risicogroep in Afrika bestaat dus uit hetero’s en prostituees. Bij ons behoren homoseksuelen, prostituees en drugsverslaafden tot de risicogroep.


Wat doet men internationaal om hiv-besmetting tegen te gaan?



In het jaar 2000 hebben bijna 200 regeringsleiders van over heel de wereld afspraken gemaakt om voor 2015 een aantal belangrijke wereldproblemen aan te pakken. Er zijn in totaal acht doelstellingen geformuleerd, de zogenaamde mileniumdoelstellingen. Onder de zesde doelstelling valt het volgende: “bestrijding van hiv/aids en andere dodelijke ziektes”.

Bijna 40 miljoen mensen van de wereldpopulatie is seropositief. Meer dan de helft van die besmette personen leeft in Afrika. Hier is aids een van de belangrijkste doodsoorzaken. Deze ziekte is niet alleen een gezondheidsprobleem, maar weegt ook psychisch zwaar door. Vele kinderen zijn één of zelfs beide ouders verloren aan hiv/aids. Ook voor de maatschappij en de economie zijn de gevolgen immens.

De regeringsleiders hebben beslist om de verspreiding van hiv tegen te gaan. Hiervoor zijn medicijnen erg belangrijk. Vaak zijn ze onbetaalbaar voor de doorsnee Afrikaan. Ook de mensen die niet besmet zijn met het virus moeten voorgelicht worden. Het beschikbaar stellen van condooms is levensnoodzakelijk.

Het aantal nieuwe infecties en het aantal mensen dat overlijdt aan aids is aanzienlijk gedaald. Toch spreken we hier nog steeds over miljoenen mensen…

De VN probeert deze millenniumdoelstelling te halen d.m.v. UNAIDS: “Met 129 personeelsleden is UNAIDS een organisatie van bescheiden omvang. Het UNAIDS-secretariaat vervult de functie van katalysator en coördinator en is niet verantwoordelijk voor de rechtstreekse uitvoering van projecten. In de landen in het Zuiden werkt UNAIDS hoofdzakelijk via de zogenaamde themagroepen waarin vertegenwoordigers van de UNAIDS-cosponsors zitten en waarbinnen de nationale strijd tegen HIV/aids gecoördineerd wordt. Meestal zit ook de regering van het gastland in de themagroep.”



Hoe wordt er gewerkt aan bewustwording van hiv?

Het gebruik van een condoom is nog steeds de enige manier om de verspreiding van hiv tegen te gaan. In Afrika nam het condoomgebruik de afgelopen jaren ook toe. Ondanks de toename is er nog een immens te kort aan condooms. In Oeganda zijn er jaarlijks 120 tot 140 miljoen condooms nodig. De beschikbaarheid lag slechts om 40 miljoen (2005).

Condooms worden in Afrika niet altijd met open armen onthaald. Er zijn vaak sociale, culturele en praktische belemmeringen. Vaak zijn Afrikanen erg gevoelig voor uitspraken van religieuzen. Zo doet een uitspraak van de paus, zoals die van in 2009, er niet goed aan om condoomgebruik af te raden.

Condoomgebruik, preventie en bewustwording gaan hand in hand. Hieronder volgen een aantal preventiemethodes die gebruikt worden in Afrika:
- Peer-to-peer: mensen van dezelfde sociale groep geven voorlichting aan elkaar;
- Life skills: hier worden jongeren belangrijke sociale vaardigheden aangeleerd om bv. te onderhandelen en meer zelfvertrouwen te krijgen;

- Role model: jongeren kijken vaak op naar sporters, muzikanten,… Deze personen zijn dus ideaal voor het geven van voorlichting.



Er is nog heel wat werk voor de boek om condoomgebruik te stimuleren...


Hieronder zie je de Franse ex-presidentsvrouw Carla Bruni, een rolmodel, die zich inzet voor een hiv-vrije generatie.


Hoe werkt de behandeling van hiv?

In beginjaren van het virus was er geen behandeling mogelijk. Toen werd je besmet, kreeg je aids en ging je dood. Maar in de tweede helft van de jaren ’90 werden er grote succes geboekt met de combinatietherapie.

Met de “Hoog Actieve Anti-Retrovirale Therapie” (HAART), ook wel de combinatietherapie genoemd, is het mogelijk hiv te onderdrukken. Een genezing is dus niet mogelijk. Dit medicijn zorgt er wel voor de T4-cellen in het lichaam toenemen waardoor je weerbaar wordt tegen infecties. De combinatietherapie zorgt er ook voor dat het aantal kopieën van het virus in het bloed afneemt.

Bij deze therapie is het de bedoeling om verschillende medicijnen tegelijk toe te dienen. Er zijn drie groepen geneesmiddelen waarmee combinaties gemaakt worden. Gebruikt men slechts één medicijn, dan duikt er snel resistentie op. Hierdoor wordt het virus niet langer afgeremd.


Er zijn tal van organisaties die zich over heel de wereld inzetten voor de aidsproblematiek. Zo ook het Aids Fonds. Zij staan voor “toegang tot behandeling, zorg en preventie voor iedereen”. Ondanks de inzet van de verschillende organisaties zijn er wereldwijd 60% van de seropositieven die de nodige aidsremmers niet krijgen. Het Aids fonds zet zich daarom in om de behandeling voor zoveel mogelijk mensen mogelijk te maken. Medicijnen kosten in ontwikkelingslanden slechts één euro per dag!

Maar er wordt ook geklaagd over te weinig steun voor de behandeling van hiv in Afrika. Aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt er onderzoek gevoerd naar betere manieren om mening in Afrikaanse landen te testen op hiv. De resultaten zijn er, maar er kan vaak geen behandeling op touw worden gezet. Volgens millenniumdoelstelling 6 moest tegen 2010 iedereen toegang hebben tot aidsremmers. Wereldwijd heeft 5 miljoen mensen geen toegang tot die aidsremmers.


Aidsremmers kunnen in ontwikkelingslanden efficiënt werken en zijn relatief goedkoop. Toch hebben Afrikaanse landen moeilijkheden om succesrijke behandelingsprogramma’s verder te zetten. In onderstaande filmpjes zie je hoe Afrikaanse mensen aan hun medicijnen geraken.





Fragmenten

Hieronder volgen een aantal aangrijpende fragmenten en getuigenissen uit het boek.

Achieng: “Ik ben een vrijgevochten vrouw en dat neemt een zwarte man niet. Hij is de baas in huis en eist dat je gehoorzaamd. Maar ik heb geen tijd meer om te gehoorzamen. Ik wil niemand meer dienen. Serving somebody doesn’t serve you.”

Achieng: “Bendeleden die in het wilde weg neuken, verkrachten en moorden, zijn de oorzaak van geweld en hiv-besmetting.”

Seropositief bendelid: “Het is aartsmoeilijk voor een man om geen seks te hebben. Mannen zijn daartoe niet instaat.”

Grace, prostituee: “Mijn kindertijd werd gekleurd door armoede en ellende, elke dag opnieuw. Op mijn twaalfde begon ik te werken in dienst van een prostituee. Mijn eerste klant was groot en lelijk en misbruikte mij met veel geweld. Ik had veel klanten en ik was zo uitgeput. Het geld moest ik telkens afgeven. Daarom ging ik in een bordeel werken. Ik werd gearresteerd door politieagenten die me misbruikten in de cel. Ze gebruikten geen condoom. …”

Winie, prostituee: “Op mijn twaalfde werd ik door vier jongens verkracht. Ik bleek zwanger te zijn en in de prostitutie gedwongen om te overleven. Ik heb veel klanten en ik word veel misbruikt. Van een condoom is vaak geen spraken en mijn klanten stelen mijn geld.”

Rose: “In 2002 werd ik ziek en heb ik mij laten testen. Aids luidde het. Ik duf het met niemand te delen. Zelfs niet met mijn moeder. Het is beter dat niemand het weet. Anders denken ze toch maar dat je een prostituee bent. Over seks praat ik niet meer. Dat is louter uitgevonden voor de man. Hij is de baas. Hij wil je gebruiken. Hij beslist over hoe en wanneer.”

Isaiah, bendelid: “Toen ik zeven was, stierf mijn moeder en ontfermde mijn grootmoeder zich over mij. Toen ik tien was haalde mijn vader me bij haar weg. Ik moest de straat op om voor mijn eigen levensonderhoud te zorgen en ik mocht nooit meer terug. Zijn woorden kwamen hard aan… Als klein jongetje heb je geen idee hoe je moet overleven in een grote stad. ’s Nachts sliep ik buiten, alleen. Om te overleven moet je stelen, anders kom je om. Ik heb op seksueel vlak al heel wat risico gelopen. Door verkrachtingen e.d. zou het kunnen dat ik hiv heb, maar ik wil het niet weten. Ik hoorde trouwens nog maar recent over hiv.”

Sarah, germaniste: “één simpele one-night stand heeft me de das omgedaan. Op een fuif, vlak voor mijn eindexamens, besloot ik er eens goed in te vliegen. Maar ik dronk te veel en belandde met een studiegenoot tussen de laken.”

Sabine, hiv-counselor: “Mijn man stierf in een verkeersongeluk. Volgens de traditie moet ik door mijn schoonbroer overgeërfd worden, maar dat weigerde ik. Die beslissing heeft mijn leven gered. Want de schoonbroer met wie ik weigerde te trouwen, had hiv en is intussen overleden.”

Tristan (België): “Ik ben geboren met de bloedziekte hemofilie. Dat is een typische jongensziekte die verhindert dat het bloed voldoende stolt. Hemofiliepatiënten hebben stollingsfactoren nodig. Die worden gemaakt van bloedplasma. In het begin van de jaren tachtig werd donorbloed nog niet gecontroleerd op hiv zodat er ook besmet bloed in omloop kwam. … De laatste twee jaar is mijn gezondheid spectaculair verbeterd dankzij een nieuwe generatie aidsremmers. … Eerst willen we kinderen. Gelukkig hoeven we niet met donorsperma te werken. Daar zou ik het erg moeilijk mee hebben. De bevruchting kan vrij eenvoudig verlopen. In een speciale machine wordt het besmette sperma gewassen tot het hiv-vrij is. Daarna wordt het ingespoten in de baarmoeder.”

“Aids is de laatste twintig jaar van kleur verschoten en van geslacht veranderd. Toen de immuunziekte aan het begin van de jaren tachtig werd ontdekt, was ze een kwaal van voornamelijk blanke, homoseksuele mannen. Vandaag is de typische aidspatiënt zwart, vrouw en hetero.”

Patrick (België): “Ik werd ziek. Na een dosis antibiotica, genas ik nog steeds niet. De resultaten van verdere onderzoeken waren onduidelijk. Daarom nam ik contact op met het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Daar werd vastgesteld dat ik seropositief was. Het klonk als een doodsvonnis, maar de dokter bleef kalm en vertelde mij dat de behandeling weldra zou worden opgestart. … In de wachtzaal van het Instituut voor Tropische Geneeskunde ontmoette ik een ex-partner. Daar werd ik voor het eerst getroffen met de vraag: wie heeft wie besmet? … Toen ik uiteindelijk een leuke man ontmoette, nam ik me voor het hem meteen te vertellen. Maar de avond vloog voorbij, en ik vond geen gelegenheid om het pijnlijke onderwerp aan te halen. Na een filmbezoek durfde ik het uiteindelijk aan. Ik kreeg deze reactie: wat ben ik blij dat je tijdens onze eerste ontmoetingen gezwegen hebt. Anders was ik nooit aan deze relatie begonnen. … Wat mij op dit moment veel zorgen baart, is de afnemende solidariteit met seropositieve mensen. Sinds de nieuwe generatie aidsremmers de dood wat verder op afstand houdt, wordt aids opnieuw een ver-van-mijn-bedshow.”

Bronvermelding

Boek: Mijn status is positief
Cursus: Godsdienst middelbaar
Rapport: Vrouwen en hiv/aids

donderdag 2 oktober 2014

4 - De revolutieroute

De revolutieroute

Rudi Vranckx mag één van de beste journalisten van de VRT-nieuwsdienst genoemd worden. Hij houdt zich vooral bezig met conflictgebieden zoals Israël/Palestina, de Arabische Lente, de burgeroorlog in Syrië,… Hij riskeert soms letterlijk zijn leven om het nieuws tot bij ons te brengen. Zo geraakte hij meer dan één jaar geleden betrokken bij een bomaanslag in Syrië. Zijn Franse collega kwam om. Vranckx en zijn team konden net aan de dood ontsnappen.

Hij maakte voor Canvas ook al een aantal reportagereeksen, zoals “de vloek van Osama” en de reeks die ik hieronder verder zal bespreken, nl. “de revolutieroute”.


“Rudi Vranckx trekt langs de haarden van de Arabische revolutie. Hij zoekt uit wie de winnaars verliezers zijn, en kijkt naar de toekomst. Steeds vanuit de mens achter het grote verhaal, de gewone man wiens leven voorgoed een andere wending gekregen heeft.”


Rudi Vranckx

Tunesië is het eerste land waar de Arabische lente is ontstaan. Het land is vrij westers en het toerisme doet het goed. Hoe komt dan dat de mensen daar in opstand zijn gekomen?


Tunesië is een vrij westers land. Het toerisme doet het bijzonder goed en de positie van de vrouw is, in vergelijking met andere Noord-Afrikaanse landen, goed. De bevolking kan helaas niet profiteren van het goede imago van het land. De werkloosheid en de voedselprijzen zijn torenhoog, het is een corrupt land en er is veel censuur. In Tunesië is er geen plaats voor kritische geluiden. Tegenstanders van president Ben Ali, die het land al sinds eind jaren ’80 met harde hand regeert, worden geïntimideerd of verdwijnen gewoon in de cel. Onder de elite groeit de corruptie. Een kleine groep mensen maakt zich hierdoor erg rijk.


President Ben Ali

Mohammed Bouazizi, een jonge Tunesiër, kon geen werk vinden. Daarom ging hij groenten en fruit verkopen in een marktkraampje. Hier had hij echter geen vergunning voor. Zijn koopwaar werd daarom door de politie in beslag genomen. Een vrouwelijke politieagent zou hem ook een klap in het gezicht hebben verkocht. Waarschijnlijk moest hij smeergeld betalen om te mogen blijven verkopen. Opmerkelijk is dat Bouazizi een universitaire opleiding achter de rug had.

Toen hij klacht ging indienen bij de politie, werd hij afgewimpeld. Bouazizi voelde zich vernederd en was ten einde raad. Op 17 december 2010 besloot hij zichzelf in brand te steken in zijn woonplaats Sidi Bouzid. Hij overleefde het niet. De jonge Tunesiër wordt nu wel gezien als nationale held. Door zijn dood is heel Tunesië en de rest van de Arabische wereld in opstand gekomen.

Hoewel de media in Tunesië erg gecensureerd is door de politiek van toenmalig president Ben Ali, verspreidde het nieuws zich razendsnel. De dag na de zelfverbranding van Bouazizi, kwamen heel wat mensen op straat in Sidi Bouzid om te betogen tegen de werkloosheid en de corruptie. Eind december bereikten de protesten ook de hoofdstad van Tunesië.

De protesten duurden dagen aan een stuk. Ben Ali zette de politie en het leger in om de betogers uit elkaar te drijven. Er vielen uiteindelijk meer dan vijftig doden. Ben Ali voelde dat het einde nabij was en deed half januari een aantal toegevingen naar de bevolking toe. Zo verlaagde hij de prijzen van een aantal voedingsproducten en verklaarde hij dat hij niet zal deelnemen aan de presidentverkiezingen van 2014. Ook beval hij de politie en het leger geen vuurwapens meer te gebruiken tegen de demonstranten.

Blijkbaar waren die toegevingen lang niet voldoende voor de Tunesiërs. De betogingen bleven duren. Bovendien kiezen heel wat hoge pieten die eerst aan de kant van Ben Ali stonden, de kant van de betogers. Half januari vlucht Ben Ali samen met zijn vrouw het land uit. Er komt een regering van nationale eenheid aan de macht. In oktober 2011 vonden de verkiezingen plaats. Dat waren de eerste vrije verkiezingen die Tunesië ooit gekend heeft.


Ben Ali is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor zijn betrokkenheid bij de dood van meer dan 20 betogers tijdens de opstanden in Tunesië. Hij zal zijn straf wel nooit moeten uitzitten. Saoedi-Arabië, het land waar hij naartoe is gevlucht, weigert hem uit te leveren. Heel wat andere medestanders van Ben Ali zijn de laatste tijd veroordeeld tot celstraffen van maximum 15 jaar. 



Libië is ook een vallend dominoblokje van de Arabische lente. Waarom is de internationale gemeenschap tussen gekomen?

Het Libië van kolonel Khadaffi is gebaseerd op een ideologie die hij zelf heeft ontwikkeld, nl. het Arabisch socialisme en het islamitisch socialisme. Het volk zou hierbij al de macht in handen hebben en politieke partijen waren verboden. Mensen in Libië kenden een hoge levensverwachting en de economie deed het bijzonder goed. Onderwijs en gezondheidszorg werden gratis aangeboden. Hij streefde ook naar een strikte naleving van de sharia, de islamitische wetgeving, en naar een samenleving waar iedereen gelijk is en de economie geregeld wordt door de staat.

Dat lijkt me dan toch geen al te verkeerde gast, die Khadaffi, of ben ik mis? Blijkbaar wel. In 1972 werd zijn naam al gelinkt aan terroristische organisaties die heel wat aanslagen in Europa hebben gepleegd, bv. de aanslag op de Israëlische sportploeg tijdens de Olympische Spelen. In eigen land lijken de problemen erg op die van Tunesië, zoals hierboven al besproken, en Egypte: grote werkloosheid, corruptie en repressie wat voor veel onvrede zorgde bij de bevolking. Ook hier kan de bevolking niet profiteren van de economie die goed draait (Libië is nl. een belangrijke olieproducent). Een kleine groep elite, waaronder Khadaffi en zijn familie, pronken met de meest luxueuze villa’s en auto’s, wat de ogen van de bevolking natuurlijk uitsteekt.

Kolonel Khadaffi

De opstand in Libië begon begin februari 2011 in het Oosten van het land. Doordat er veel hoge legerofficieren overstapten naar de kant van de rebellen, ging het in het begin heel vlot om de macht in het Oosten te grijpen. Na twee weken bereikten de protesten de hoofdstad Tripoli. Khadaffi voelde het einde naderen en zette alles op alles om zijn macht in het land terug te herstellen. Terwijl de rebellen het Oosten van het land in handen hadden, gebruikte Khadaffi het leger en huurlingen om andere delen van het land in zijn macht te houden. De mannen van Khadaffi waren zwaar bewapend en richtten slachtingen aan tegen burgers.

In Libië verloor de Arabische lente zijn onschuld. De troepen van Khadaffi begonnen in maart met een opmars in het Oosten. De rebellen waren niet goed bewapend en konden de overmacht van de regeringstroepen niet aan. Ze kregen stilaan weer verschillende steden, waaronder Benghazi, in handen. Khadaffi dreigde ermee te vechten tot de laatste kogel. Verschillende hulporganisaties zagen het uitdraaien op een ware veldslag. Verschillende steden werden hard onder handen genomen door Khadaffi met luchtbombardementen en artilleriebeschietingen. Hierbij werden burgerdoelwitten niet gemeden.

Half maart besloot de internationale gemeenschap, onder impuls van Frankrijk, in te grijpen bij de burgeroorlog. Men kon niet blijven toezien hoe de regeringstroepen het rebellenbolwerk Benghazi opnieuw in handen zouden nemen en voor nog meer onschuldige burgerslachtoffers zouden zorgen. Op 17 maart 2011 keurde de VN-veiligheidsraad een resolutie goed die de weg vrij maakte voor een militair ingrijpen in Libië. De operatie werd Odysey Dawn genoemd. De operatie diende om het vliegverbod boven Libië te handhaven en ‘alle noodzakelijke maatregelen’ om burgers te beschermen tegen de aanvallen van de regeringstroepen.

Ook met de hulp van de NAVO hadden de rebellen het erg moeilijk tegen de regeringstroepen. De NAVO bood enkel steun vanuit de lucht, maar de rebellen waren op de grond slecht georganiseerd. Het duurde uiteindelijk nog maanden vooraleer de rebellen de hoofdstad Tripoli en andere bolwerken van Khadaffi konden innemen. Na een moeizame en intense strijd was het Khadaffi-tijdperk eindelijk voorbij.   

Eind oktober 2011 werd Khadaffi om het leven gebracht door een samenwerking tussen de NAVO en de rebellen. Khadaffi werd gedood bij een aanval op het konvooi waarmee hij probeerde zijn geboortestad Sirte te ontvluchten.


Schokkende beelden over de arrestatie van Khadaffi.

Wat is er zo speciaal aan het leger in Egypte?

De opstand in Egypte brak uit in januari en februari van 2011 en is sterk geïnspireerd op die van Tunesië en Libië. De voornaamste redenen waarom de Egyptenaren de straat optrokken zijn de volgende: geweld door de regering, werkloosheid, armoede, woning- en voedseltekorten, corruptie, gebrek aan toekomstperspectief en de beperkte vrijheid van meningsuiting.

Naast deze problemen, is er ook nog een andere aanleiding voor de onrusten in Egypte. Begin januari werd Egypte opgeschrikt door een aanslag tegen een Koptische kerk. Deze aanslag is gepleegd door moslimextremisten, waarschijnlijk Islamitische Staat Irak (nu IS). De dreiging was er al veel langer, maar de ordediensten traden niet of onvoldoende op. Hierdoor kwamen boze koptische christenen op straat.

Half januari staken verschillende Egyptenaren zich in brand om hun ongenoegen te uiten tegen het regime van president Moebarak. Tienduizenden mensen kwamen op straat om hun steun te betuigen. De ordediensten traden hard op en schoten zelfs met scherp. Er vielen verschillende doden. Eind januari sloot ook het moslimbroederschap zich aan bij de opstandelingen. Het probleem was dat de oppositie tegen Moebarak het niet eens waren over hun eisen. Moebarak beloofde meer vrijheid en welvaart. Dat was niet voldoende voor de betogers. Er voegden zich steeds meer mensen bij de betogers en zij eisten het ontslag van Moebarak.


President Moebarak.

Begin februari kwam het tot een zware clash tussen mede- en tegenstanders van Moebarak. De medestanders hadden het ook gemunt op mensenrechtenorganisaties en journalisten. De betogers wisten stand te houden en verdreven de medestanders van Moebarak van straat. Op 11 februari besloot Moebarak op te stappen en de macht over te dragen aan het leger. De opperbevelhebber van het leger, Tantawi, werd daarmee waarnemend president.

Het leger leefde al geruime tijd op gespannen voet met Moebarak. Tijdens de revolutie hield het leger zich afzijdig. Ze wou voorkomen dat Moebarak de macht overdroeg aan zijn zoon. Het leger heeft de revolutie doen slagen uit eigenbelang en niet uit sympathie voor de bevolking.

De moslimbroeder (soennitische-islamitische politieke partij, worden vaak als terroristen gezien, de Koran is hun wetboek) Morsi werd na de verkiezingen van 2012 president van Egypte. De president kreeg te maken met de politieke macht van het leger: zo maakte het leger een interim-grondwet, daarin staat dat zij de wetgevende macht in handen hebben, zij mogen een begroting opstellen, het leger staat niet onder het gezag van de president,… Onder het bewind van Morsi ging het niet beter met de economie en namen etnische spanningen toe. Morsi kwam ook onder vuur te liggen omdat hij een wet goedkeurde waarin staat dat de beslissingen die hij neemt, niet juridisch aangevochten kunnen worden. In juli van 2013 zette het leger hem af omdat hij de eisen van de bevolking niet tegemoetkomt.


Morsi heeft in één jaar tijd veel schade aan zijn land toegebracht. Hij installeerde een ‘islamitisch fascistisch’ bewind, waarbij alle overheidsinstellingen werden bemand door extreme moslimbroeders. Hij heeft het volk of andere partijen nooit bij het bestuur betrokken. Het geweld tegen vrouwen en minderheden piekte en de economische crisis nam alleen maar toe. Op dit moment is Abdul Fatah al-Sisi president in Egypte. Hij is een ex-militair en legde zijn functie neer om deel te kunnen nemen aan de verkiezingen. De huidige president is helemaal geen voorstander van het moslimbroederschap. De partij is verboden in Egypte en veel moslimbroeders zijn gevangen genomen of vermoord.

President al-Sisi

Het leger heeft niet alleen de politiek, maar ook de economie stevig in handen in Egypte. Ze hebben namelijk meer dan 25% van de economie in handen. Als je in Egypte pasta of water gaat kopen in een winkel, zou het goed kunnen zijn dat het werd vervaardigd door een fabriek dat eigendom is van het leger.

Waar liggen de wortels van de burgeroorlog in Syrië?

In navolging van Tunesië, Libië en Egypte komen ook de Syriërs in opstand tegen hun leider Assad. Deze situatie wordt steeds ingewikkelder. Daarom trek ik naar de wortels van het probleem.

De Koran.


Tot de 7de eeuw na Christus kwam er een einde aan christelijke dominantie op de plaats wat we nu Syrië noemen. Er ontstond een nieuwe wereldgodsdienst, de Islam. De profeet Mohammed verenigde vele rivaliserende stammen en richtte een islamitisch rijk op (kalifaat), waarvan hij zelf leider werd. Er ontstond al snel een conflict in de nog jonge godsdienst. Na de dood van de profeet was er geen opvolging. Een minderheid, de sjiieten, vond dat Ali de profeet moest opvolgen. Anderen (soennieten) vonden dat de belangrijkste Schriftgeleerden een opvolger moesten aanduiden. De sjiieten zijn aangewezen op het eigen intellect om de islamitische wetten, de sharia, te interpreteren. Die is weggelegd voor de ayatollah’s. De soennieten geloven enkel en alleen in het woord van Mohammed.

Na de Eerste Wereldoorlog komt Syrië onder controle van Frankrijk te staan. Zij maken gebruik van de splitsing tussen de sjiieten en de soennieten en de onderdrukking van een sjiietische minderheid, de Alawieten (op dit moment 12% van de Syrische bevolking). Zij hebben heel eigen opvattingen en gebruiken. In 1927 kwam er een nationalistische opstand tegen de Fransen (soennitisch). De Fransen maakten gebruik van negatieve gevoelens van Alawieten door de onderdrukking. De Fransen rekruteerden de Alawieten in belangrijke posities van de ordediensten en konden de opstand zo neerslaan.

Na de Tweede Wereldoorlog verlieten de Franse Syrië voorgoed. De Alawieten hadden ondertussen veel macht opgebouwd, bezaten veel geld en wapens. Ze namen de macht in Syrië dus over. Syrië had geen ervaring zichzelf te regeren en er heerste veel chaos.

Syrië zocht toenadering tot de Sovjet-Unie om de snel groeiende macht van Israël, gesteund door de VS, te breken. Ondertussen heerste er ook het idee om alle Arabieren te verenigen in één staat. Het idee kreeg steeds meer aanhang. In 1947 stichtte Hafez al-Assad, de vader van de huidige Syrische leider, een eigen partij op. Zijn partij stond achter de vereniging van alle Arabieren en gematigd socialisme. Hij wou de chaos in zijn land stoppen en een groot Syrisch rijk stichten.

In 1966 werd hij na een staatsgreep minister van Defensie. Hij maakte de nederlaag van Syrië en Egypte mee tegen Israël tijdens een kortdurende oorlog. In 1970 pleegde hij samen met het leger een nieuwe staatsgreep. De bevolking, sjiieten, soennieten, christenen en Alawieten samen, was de instabiele politiek beu. Zij zagen in Assad de nieuwe grote leider van Syrië. Assad profiteerde van de macht die zijn groep, de Alawieten, hadden opgebouwd en versterkte die machtspositie alleen maar.

In de jaren ’70 werd Assad alleenheerser van Syrië, gesteund door een enorm apparaat aan geheime politie. Hij regeerde over Syrië op een seculiere manier. Dat wil zeggen: islamitische denkbeelden mogen geen rol spelen en tegenspraak door islamitische groeperingen (zoals de soennitische Moslimbroederschap) werd niet geduld. Er kwam al snel verzet door de soennieten in de vorm van aanslagen, betogingen en opstanden.

Begin jaren ’80 kwam het bolwerk van de Moslimbroeders, de stad Hama, zwaar onder vuur te liggen. De Moslimbroeders, die grotendeels achter de opstanden zaten, werden tijdens betogingen daar op straat neergeschoten door het Syrische leger (ook wel “Het bloedbad van Hama” genoemd). De opstanden stopten wel, maar de Moslimbroeders zwoeren wraak.

Het Syrië van Assad werd gesteund door de Sovjet-Unie en Iran. Zij zagen Syrië als tegengewicht voor de grote Amerikaanse invloed in het Midden-Oosten. Assad bleef aan de macht en de onderdrukking van de soennitische meerderheid ging door tot 2000.

Bashar al-Assad, zoon van, kwam begin 2000 aan de macht. Er leek een nieuwe wind te gaan waaien in Syrië. Hij riep op tot verzoening tussen de sjiieten en soennieten. Van deze wens kwam uiteindelijk niks. Bovendien hervormde hij het economische systeem zo dat de Alawietische elite steeds rijker werd. De armoede en ongelijkheid nam uiteindelijk alleen maar toe. Veel soennitische plattelandsbewoners trokken naar de stad om werk te zoeken, maar kregen geen voet aan grond omdat de sjiietische Alawieten de economie in handen hadden.


President Assad.

Buitenlandse overheersing, onderdrukking, armoede en de hoop naar hervormingen maakte van Syrië een kruitvat. Door de omwentelingen in buurlanden ontplofte Syrië uiteindelijk. Vele betogers kwamen ook hier weer op staart voor meer burgerrechten, politieke hervormingen en het einde van het regime van Assad. Soennitische legerdeserteurs begonnen samen met Syrische islamisten, uit de Syrische Moslimbroederschap en salafisten, een gewapende strijd tegen het Syrische leger.

Wie is IS en wat wilt IS? Wat is het verband met de burgeroorlog?

Voor ik het verband onderzoek tussen IS en de burgeroorlog, ga ik eerst uitzoeken wie ze zijn. “IS is een jihadistisch-salafistische militie en een zelfbenoemde staat, die delen van Syrië en Irak omvat.” Nog twee begrippen die ik eerst ga uitklaren. “Jihad” is een islamitisch woord en betekent letterlijk “hard werken om een doel te bereiken”. De jihad heeft meerdere betekenissen, maar in deze context betekent het een gewapende strijd tegen degenen die de islam of de eenheid van de islamitische heerschappij bedreigen. Ze willen ook een uitbreiding tegen deze heerschappij door een gewapende strijd tegen ongelovigen. Het salafisme is een extreme stroming binnen de soennitische islam. Zij praktiseren de islam op een heel strikte manier. Zij geloven enkel in het woord van de Koran en het woord van de profeet en wordt daarom puriteins genoemd.

Het doel van IS kan kort omschreven worden als de jihad tegen Amerika en iedereen die met hen samenwerkt, waaronder de sjiieten. Daarnaast willen ze ook een islamitische staat stichten in landen als Irak en Syrië. Niet-moslims, dus ook christenen, krijgen de keus om zich te bekeren, een belasting te betalen of vermoord te worden. Dat geldt ook voor niet-salafistische soennieten, sjiieten en andere “afwijkende” stromingen binnen de islam.

Ondertussen heeft IS een islamitische staat opgericht binnen een gebied van Irak. Hiervoor hebben ze veel mensen vermoord, verkracht en ontvoerd. De strijd die ze voeren kan onmenselijk genoemd worden. Ze rukken ook snel op in Syrië. Daarom heeft de internationale gemeenschap beslist stellingen van IS vanuit de lucht aan te vallen. Op dit moment (8/10) levert het nog maar weinig op.

Syrië zit sinds 2011 verwikkeld in een burgeroorlog. Het is een kluwen geworden waar het nog moeilijk uit te maken is wie aan wiens kant staat en waar ze precies voor vechten. Wat duidelijk is, is dat de sjiietisch-alawietische regering van Assad weg moet. De soennitische meerderheid voelt zich al jaren onderdrukt. Christenen en andere minderheden proberen zich neutraal te houden en zichzelf toch te beschermen. Ondertussen is het niet meer te overzien wie er tegen de regering vecht. De oppositie bestaat uit rebellen (het Vrije Syrische Leger met veelal gematigde soennieten), seculiere- en islamitische (waaronder IS) groeperingen. Er komt ook steeds meer inmenging van buitenaf: Iran en Rusland steunen de regering van Assad terwijl het westen de kant van de rebellen kiest. Binnen de etnisch religieuze groeperingen zijn er dan ook nog eens voor- en tegenstanders van de regering, wat resulteert in nog meer verschillende groeperingen.


Vanaf 2014 ontstaat er ook een strijd tussen de rebellen, de salafisten van IS en andere groeperingen. In mei van dit jaar begon IS effectief met strijd om een islamitische staat binnen Syrië. Op dit moment heeft IS een aantal delen van Syrië onder controle. IS lijkt het dus op te nemen voor de soennitische meerderheid binnen een land dat geregeerd wordt door een sjiietische minderheid (dat is ook het geval in Irak), maar niet alle soennieten volgen IS hierin.


Een strijder van IS die klaar staat om iemand te onthoofden.

Bronvermelding